Papa, mag ik op voetballen?
'Henk, ga jij Paul even van school halen?'
'Ja, is goed. Ik ga meteen.'
Henk loopt gelijk naar buiten en een paar tellen later rijdt hij al de
straat uit. Het is niet echt heel ver. Eigenlijk zou Paul wel naar huis
kunnen lopen, maar omdat hij sinds zijn geboorte al gehandicapt is aan
zijn been, wordt hij iedere dag gebracht en gehaald.
Zijn ouders weten wel dat ze hem daarmee veel te veel verwennen, maar
kunnen het ook niet over hun
hart verkrijgen om de jongen alleen naar huis te laten lopen. Ten
eerste moet hij alleen omdat zijn vriendjes uit een andere
buurt komen en ten tweede willen ze hem zo veel mogelijk ontzien.
Henk is wat aan de late kant, want als hij bij school komt zijn de
kinderen al buiten.
Paul ziet zijn vader gelijk en komt meteen naar de auto. Als Henk zijn
zoon met een blij gezicht aan ziet komen,
overvalt hem zoals wel vaker een erg bedroefd gevoel. Hij heeft zo
vreselijk veel medelijden met de jongen. Zo'n jong kind nog, dat zo
beperkt is door zijn handicap. Voor de misschien wel
duizendste keer vraagt hij zich af, waarom nu juist zijn zoon dit moest
overkomen.
Als Paul de deur van de auto open doet, is Henk zijn neerslachtigheid
snel kwijt.
Ondanks dat de jongen een beperking heeft, is hij namelijk altijd
opgeruimd.
Als vader schaamt hij zich er zelfs wel eens voor, dat hij meer
problemen met de handicap van zijn zoon heeft dan de jongen zelf.
'Hoi Pa.'
'Dag jongen. Was het leuk op school?'
'Ja, hartstikke. Karel hield een spreekbeurt over zijn voetbalteam. Mag
ik ook op voetballen pap?'
Henk voelt zich warm worden van schrik en weet even niet wat hij moet
zeggen. Hij heeft er nog nooit een moment aan gedacht, dat de jongen
hier ooit over zou beginnen.
Voor zijn gevoel mag hij zijn zoon dit niet aandoen. Hij zal ten
eerste door zijn teamgenoten uitgescholden worden omdat hij amper aan
het spel mee kan doen en tegenstanders zullen
hem uitlachen vanwege zijn handicap.
'Mag het pap?'
'Zullen we het daar straks eerst even met je moeder over hebben?'
'Waarom? Dat doe je met andere dingen toch ook niet?'
'Laten we het nu maar wel doen.'
Paul zwijgt, maar aan zijn gezicht is duidelijk te zien dat hij het
helemaal niet leuk vindt.
Hij had er namelijk op gerekend, dat zijn vader hem meteen toestemming
zou geven om te gaan voetballen. Henk ziet het bedrukte gezicht van
zijn zoon natuurlijk ook en voelt zich verschrikkelijk beroerd. Hoe
moet hij dit nu oplossen zonder de jongen verdriet te doen?
Doordat vader en zoon beide, zij het op hun eigen manier, bezig zijn
met het eventuele lidmaatschap van de voetbalclub, wordt er niet meer
gesproken. Als ze thuis zijn, gaat Paul zo snel mogelijk de auto uit op
zoek naar zijn moeder. Henk die de jongen zijn plannen wel in de gaten
heeft, gaat hem meteen achterna zodat ze toch nog vrijwel gelijk
binnenkomen.
Henk krijgt echter geen kans om iets tegen zijn vrouw Joke te zeggen,
want Paul begint meteen al te roepen zonder dat hij zijn moeder ziet.
'Mam, ik wil graag op voetballen. Mag het van jou?'
Moeder Joke komt met een verschrikt gezicht de gang in. Ze ziet haar
man gebaren maken, dat hij ook niet weet wat hij met de situatie moet
en begrijpt dat ze een probleem hebben.
Paul wil op voetballen en zij als ouders zien dat helemaal niet zitten.
Ze hebben het er samen immers al diverse keren over gehad, dat het zo
jammer is dat hun zoon nooit aan sport kan doen.
Ze weet dus heel goed wat de mening van haar man is.
Zoals altijd als er moeilijkheden zijn, neemt ze echter wel het
initiatief om tot een oplossing te komen.
'Ga eens even zitten Paul. Ik begrijp heel goed dat je op voetbal wil,
maar vind je niet dat dit vanwege je been erg onverstandig is? De
andere jongens zijn allemaal veel sneller dan jij
en zullen waarschijnlijk ook veel harder kunnen schieten. Het is toch
niet leuk voor je, als je er maar een beetje voor spek en bonen bij
loopt?' Het gaat ons er echt niet om, dat je niet mag
voetballen. We willen je alleen beschermen.'
Paul die zijn voorgenomen voetbalavontuur in duigen ziet vallen, barst
in tranen uit.
'Ik wil niet anders zijn dan de andere jongens. Op school speel ik ook
altijd met ze, dus waarom kan ik niet met ze voetballen?
Jullie zullen zien, dat ik het best goed doe.'
Henk en Joke kijken elkaar aan en begrijpen zonder een woord te zeggen,
dat dit niet zomaar is opgelost. Joke heeft net als haar man erg veel
medelijden met Paul. Ze probeert
haar jongen dan ook te troosten, maar niets helpt. Hij begint zelfs
steeds harder te huilen. Het lijkt wel uren te duren voor hij eindelijk
wat rustiger wordt. Praten doet hij echter
nog steeds niet. Op zeker moment staat hij toch op en met de woorden
'ik heb hoofdpijn' loopt hij naar boven.
Hoewel zijn ouders hem het liefste achterna zouden lopen, zijn ze blij
om even samen te zijn. Zo kunnen ze tenminste overleggen. Er hoeft
alleen
weinig te worden gesproken, want ze blijven het samen eens. Voetbal is
niets voor hun zoon. Hij is gehandicapt en simpel niet in staat om net
als de andere jongens over het veld te hollen.
'Laten we maar hopen, dat het voetballen een bevlieging van hem is
geweest en we hem er niet meer over horen.'
'Mee eens Joke, want het is niets voor hem.'
Hiermee is het onderwerp voetbal gesloten. Beide ouders denken er nog
wel een paar keer aan, maar ze hebben het er niet meer over. Voor Paul
is het onderwerp echter nog lang niet afgesloten.
Verdrietig ligt hij op bed voor zich uit te staren. Toen zijn vrienden
hem gevraagd hadden of hij op voetbal kwam, had hem dat zo leuk
geleken. Geen moment was het in hem opgekomen, dat zijn ouders het
niet goed zouden vinden. Het is echter allemaal op een gigantische
tegenvaller uitgedraaid. Opeens krijgt hij echter een idee. Hoe meer
hij er over denkt, des te enthousiaster hij wordt.
Op deze manier kunnen zijn ouders hem gewoon niet meer weigeren om lid
van de voetbalclub te worden.
Door zijn onverwachte plan, zakt de hoofdpijn vrij snel af en als de
jongen tegen zes uur beneden komt, lijkt er niets meer aan de hand.
Zijn ouders zien zijn goede humeur met blijdschap aan.
Beide zijn ze blij dat het 'voetbalprobleem' is opgelost.
De volgende middag blijken Joke en Henk erg voorbarig te zijn geweest.
Tegen half vier gaat namelijk de bel. Als Joke naar de deur loopt, ziet
ze tot haar grote verbazing
Paul staan met vier vriendjes en een vader. Ze merkt echter gauw wat er
aan de hand is, want Karel neemt meteen het woord.
'Mevrouw, we komen vragen of Paul met ons op de voetbalclub mag. Hij is
onze vriend.
We spelen altijd samen en vinden het leuk om met elkaar te
voetballen.
Mijn vader is trainer en die vindt het ook goed. Volgens hem is het
helemaal niet gevaarlijk voor Paul en kan het best'.
Joke weet even niet zo gauw wat ze zeggen moet en is blij dat Henk er
bijgekomen is.
Ze twijfelen nog steeds en staan even zwijgend voor zich uit te kijken.
Als Karels vader echter zegt dat hij er
persoonlijk voor zal
zorgen dat Paul niets gebeurt en ze nog eens naar de smekende blikken van de kinderen
kijken, geven ze toch maar toe.
Paul is dolgelukkig en huilend van blijdschap vliegt hij zijn ouders om
hun nek. Om het goede nieuws te vieren, gaan de knapen gelijk samen een
balletje trappen.
Als Joke en Henk de echte vrienden samen weg zien lopen, krijgen ze
beide spontaan een brok in hun keel en komen er tranen van geluk. Hun
zoon wordt ondanks zijn handicap niet aan zijn lot overgelaten en daar
worden ze heel erg blij.
Terug
|
|